Een onheroïsch samenzijn

Pas als de verering in al haar verschijningsvormen is overwonnen kunnen we nieuwe, betere mensen worden. Maar je hoeft natuurlijk niet per se op de rest te wachten.

Helden hebben we altijd gehad, vanaf de vroegste tijd. Altijd al was er in de mens een fascinatie voor succes, voor grootse daden. En met de grootse daad ontstond het voetstuk: de held werd erop gehesen, neergezet als lichtend en stichtend voorbeeld. Grote jagers, sluwe krijgers en monumentale leiders. En toen het mythologische, religieuze wereldbeeld verscheen, verscheen naast de goden meteen de heilige. Voor veroveraars schoten standbeelden uit de grond. Zelfs atleten werden in het oude Griekenland al door dichters bezongen. Die dichter, de kunstenaar, werd later zelf weer onderwerp van verering.

Maar de kunstenaar heeft inmiddels plaats moeten maken voor de beroemdheid – en de afgelopen vijftig jaar heeft de verering van beroemdheden groteske vormen aangenomen. In het vredige en welvarende Westen van na de Tweede Wereldoorlog is de publieke aandacht voor de entertainer een obsessie geworden. Tegelijk werd vrijwel alles entertainment. Geholpen door opkomende massamedia ontstond een parallelle werkelijkheid, de wereld van de sterren. Nieuwe adel zijn ze misschien wel, onze sterren, met als belangrijkste bestaansreden het feit dat ze überhaupt zichtbaar zijn. En dat er naar ze gekeken wordt. Het collectieve bewustzijn is tegenwoordig op hen gericht.

Wat is een idool? Oorspronkelijk is een idool natuurlijk een afgod, een volledig ten onrechte vereerd figuur, door ketterse idioten op een sokkel gezet. In die betekenis wordt ‘idool’ nu alleen nog gebruikt door religieuze orthodoxen en fundamentalisten. Want een idool, dat is in onze taal gewoon een publiek figuur, al dan niet getalenteerd, in meer of mindere mate in bezit van kwaliteiten die ervoor zorgen dat de public eye op hem gericht blijft, of hij nou zanger, voetballer of politicus is. Hij wordt meestal gesteund door mensen die hun geld verdienen met het vestigen en in stand houden van aandacht, veel aandacht. Die kennen de mechanismen. Die maken iets zichtbaar waar niets was. Als goochelaars op een kinderfeestje zijn ze, en wij trappen steeds weer verwonderd, overdonderd in hun trucs.

De kritische geest zal tegenstribbelen, maar neem dit van me aan: deze gelaagde afleidingsmanoeuvre constitueert voor een deel onze publieke ruimte, ons burgerschap, en is één van de redenen dat we vredig naast elkaar kunnen bestaan. Want we hebben nog maar weinig met elkaar gemeen. We geloven allemaal wat anders, zijn toch overtuigd van ons eigen gelijk, maar hebben de gewoonte aangenomen om daar geen groot probleem meer van te maken. Wat ons nog bindt is een gemeenschappelijk geloof in de nieuwe adel, een leger van beroemdheden dat alles opgeeft om onze sociale driften te bevredigen. Dit postmoderne pantheon wordt vanuit verschillende media geprojecteerd op het maatschappelijk firmament, en wij zien de beelden dansen, de roedel idolen altijd in beweging – never a dull moment. We vullen onze gemeenschappelijke ruimte met roddels, niet met ideologische twisten, we drinken er wat bij. Een stilzwijgende afspraak om de eeuwige neiging tot conflict, voor zover mogelijk, alleen uit te leven in een ruimte waarin emoties simpelweg niet hoog op kunnen lopen – daarvoor is het niet interessant genoeg. Zo bezien is er weinig aan te merken op het ontstaan van een gedeelde werkelijkheid die de massa afleidt en tot rust brengt. Geen bloed in de straten hier, niet zo veel althans, het valt te overzien. De cultuurindustrie als brenger van vrede. Vermaak!

Vrede als project

De goede verstaander had al gezien dat de beschreven vredige massa in Plato’s grot beland is. Dat is nooit een aanbeveling. Plato had geloof ik niet veel op met grotmensen, hoewel die er ook weinig aan konden doen.

Onze grot is een stuk minder duister en mystiek, gelukkig. Heel gemakkelijk om uit te breken. Eenmaal buiten zie je de goochelaars bezig, welke strategieën ze toepassen om het volk zand in de ogen te strooien, hoe ze te werk gaan bij het in slaap sussen van je medemens. Je ziet hoe een nieuwe adel ons afleidde van de opkomst van een nieuwe macht. Hoe zij samenspanden om de vrede uit te buiten, ten koste van de dociele cavemenigte. We werden week gemaakt door haar verleidingen, we verslapten in onze overgave aan het gemak dat ze bood. We werden zwakker met de dag, tot op een goed moment de weerstand verdwenen was. We vochten niet meer – omdat we het vechten waren verleerd. We vroegen niet meer – omdat we het vragen waren verleerd. De goden waarvan we eindelijk verlost dachten te zijn doemden in een andere gestalte alweer op. Heldenverering, zoals bij ons tot in het absurde doorgevoerd, werkt even verlammend als een willekeurige religie. Opium kan op veel verschillende manieren worden toegediend.

Dit alles zie je, en je begint te schreeuwen tegen iedereen om je heen:

“Deze vrede is pril, en nog maar een begin! Het is een infantiele, primitieve vrede… gekaapt door dezelfde mensen die ons vroeger ook al misleidden! Het zijn priesters! Illusionisten! En ze willen maar één ding – jouw ziel! Jouw horigheid! Prik lek deze luchtbel en laat de wind je hoger voeren, voorbij het menselijk tekort, richting een absolute vrede!”

Het schreeuwen stopt uiteindelijk. Velen kruipen dan terug de schaduw in. Anderen vinden een manier om buiten de grot te leven.

Er is een heldendom dat zich niet laat domesticeren; er zijn helden die geen vazal zijn. Er zijn bewonderaars die geen slaaf zijn. In dit domein is geen entertainment, wel kun je hier zo vaak je wilt in beslag worden genomen door kortstondige waarheden. Hier is alles glashelder en volstrekt onbegrijpelijk.  Hier buigt niemand. Hier worden voortdurend tegengestelde standpunten ingenomen en toch wordt er niet gevochten. Het is hier druk. En iedereen heeft weer een ander verhaal. Verering lijkt hier meer op het voeren van een gesprek, er is geen afstand tussen held en sterfelijke. De held is sterfelijk. Hij luistert ook naar jou.

De held is hier opgeheven. De verering is afgeschaft.

De aanbidders van het contemporaine heldenrijk worden in hun ijver weer tot gelovigen. Het zijn altijd dezelfden die ons godsverlangen, die zwakte, weten te vinden. Ze wilden niet naar je luisteren, maar dat is niet belangrijk meer als je een manier hebt gevonden om buiten te leven. Het is niet aan jou om het volk te verheffen – je kunt ze niet leiden zonder toe te geven aan die oude zwakte. Wie mee wil, gaat wel mee. Ga er maar van uit dat de rest gewoon heel blij is, idolaat zelfs.

heroic-virtues5